Download PDF, 578 kB »

Deze huisregels en voorschriften ("Huisregels") zijn van toepassing op alle medewerkers in dienst van bedrijven gevestigd in het RAI-complex dan wel namens deze bedrijven werkzaam in en/of om het RAI-complex. Alle hierboven genoemde bedrijven en medewerkers dienen deze Huisregels te kennen en volgens deze Huisregels te handelen.

Artikel 1 - Toegang en veiligheid

1.1 Identificatie
De toegangsbadge is de legitimatie en toegangspas van RAI Amsterdam B.V. Deze badge is er in twee verschillende lay-outs. De eerste is de persoonlijke fotobadge voor vaste medewerkers en leveranciers. Deze badge is voorzien van een pasfoto, de naam van de persoon en de naam van het bedrijf, waar de persoon werkzaam is. De tweede is de badge voorzien van een uniek badgenummer en geen pasfoto, voor tijdelijke medewerkers.

De houder van de badge is akkoord gegaan en dient bekend te zijn met de badgevoorwaarden, deze voorwaarden zijn op te vragen via security@rai.nl. De medewerker dient de badge te allen tijde zichtbaar te dragen in het RAI-complex en dient zijn badge bij het betreden van het RAI-complex, de tentoonstelling of enig ander evenement, te tonen. De badge is persoonlijk en niet overdraagbaar. Aan andere personen via de badge toegang verschaffen tot het RAI-complex is verboden en wordt bestraft.

Op verzoek dienen de toegangsbadge en de rechtsgeldige legitimatie te worden getoond.
1.2 Herkenbare werkkleding
De werkkleding is voorzien van het logo van het dienstverlenende bedrijf en is als bedrijfskleding herkenbaar; tevens voldoet de kleding aan de voor de uitvoering van de werkzaamheden geldende Arbo-wet en overige regelgeving. Externe leveranciers die in en om het gebouw werkzaamheden verrichten, dienen uiteraard ook een toegangsbadge te dragen.
1.3 Calamiteiten
Iedere medewerker dient vanuit zijn functie:
  • bekend te zijn met het bedrijfsnoodplan;
  • bekend te zijn met de aangewezen verzamelplaatsen;
  • bekend te zijn met de aanwezige vluchtwegen;
  • bekend te zijn met de aanwezige alarmeringsmiddelen;
  • bekend te zijn met de aanwezige blusmiddelen;
  • bekend te zijn met veiligheidsvoorschriften en veiligheidsvoorzieningen die voor zijn functie gelden;
  • verantwoording te dragen over zijn/haar bezoeker(s);
  • instructies van de bedrijfshulpverleningsorganisatie op te volgen;
  • globale kennis te bezitten over het bedrijfshulpverleningsplan (BHV) (wordt gefaciliteerd door middel van "Blik op BHV presentatie" die iedere medewerker dient te volgen).
Daarnaast draagt een nieuwe medewerker de verantwoordelijkheid om binnen vijf werkdagen vanuit zijn functie bekend te zijn met het bedrijfsnoodplan.
1.4 Risico-inventarisatie en -evaluatie ("RIE") huisleveranciers (externen die één of meerdere ruimtes permanent ter beschikking hebben)
RAI stelt als voorwaarde dat elke extern bedrijf, in RAI gevestigd, eens per vier jaar een RIE verstrekt aan de manager K(waliteit)A(rbo)M(ilieu); deze dient getoetst te zijn door een gecertificeerde kerndeskundige. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven dient dit eerder te gebeuren.
De volgende (verplichte) elementen moeten terugkomen in een RIE: organisatie, bedrijfshulpverlening, fysische factoren, gevaarlijke stoffen, fysieke belasting, arbeidsmiddelen, persoonlijke beschermmiddelen, werk- en rusttijden en bijzondere groep medewerkers.
1.5 Diefstal
Bij het betrappen van diefstal op heterdaad belt een medewerker nummer 1234, neemt zo nauwkeurig mogelijk het signalement van de dader(s) op en noteert bijvoorbeeld het kenteken van de auto waarmee de dader(s) wegrijdt. Tevens probeert de medewerker te voorkomen dat sporen gewist worden en blijft, indien mogelijk, in de buurt van de betreffende dader(s). De veiligheid van mensen weegt zwaarder dan het aanhouden van de dader.
Bij geconstateerde diefstal zonder heterdaad, belt de medewerker 2330, of 1234; hij/zij wordt dan direct doorgeschakeld met de afdeling beveiliging van RAI.
1.6 Beheer sleutels
Het bedrijf dat sleutels ontvangt van deuren, kasten en/of bureaus behorende tot het RAI-complex, dient deze zorgvuldig te beheren. Verlies en/of diefstal dient onmiddellijk gemeld te worden aan de sleutelbeheerder via het storingsnummer van de Technische Dienst 1460 (24/7). Bij beëindiging van de werkzaamheden voor RAI dienen de sleutels ingeleverd te worden bij de personen van wie de sleutels zijn ontvangen. Indien er op deuren, kasten en/of bureaus, behorende bij ruimten van RAI of waar RAI zich toegang tot mag/moet verschaffen, sloten worden geplaatst of gewijzigd dient dit altijd vooraf afgestemd en met goedkeuring van RAI te gebeuren.
1.7 Meenemen van goederen
Het is niet toegestaan goederen uit het RAI-complex mee te nemen, tenzij door de RAI manager van de afdeling die de goederen beheert daartoe toestemming is verleend. Een schriftelijk ondertekend bewijs van deze toestemming dient men op zak te hebben bij het verlaten van het RAI-complex. Dit moet aan een Security Officer worden getoond bij vertrek.
Bij de afgifte van het schriftelijke bewijs dient de Security Officer een kopie van het desbetreffende bewijs, voorzien van datum en paraaf, aan de medewerker van het betreffende bedrijf te overhandigen. Een medewerker is verplicht bij een vermoeden van het onbevoegd meenemen van goederen, desgevraagd zijn/haar volledige medewerking te verlenen bij het inzien van tassen en dergelijke door de Security Officer.

Artikel 2 - Vrijhouden van verkeersruimten

De verschillende verkeersruimten in het RAI-complex of op het buitenterrein van het RAI-complex dienen vrijgehouden te worden. Eventueel kan in overleg met RAI bepaald worden dat een gedeelte tijdelijk, met een maximale tijdsduur van één dag á 24 uur, gebruikt kan worden, waarbij de verkeersruimte(n) haar oorspronkelijke functie kan blijven vervullen.

Brandgangen, trappen, (nood)uitgangen en vluchtwegen dienen vrij gehouden te worden. Bovendien is het blokkeren van blusmiddelen, nooddouches en andere veiligheidsvoorzieningen niet toegestaan.
2.1 Handboek Veilig Werken
RAI werkt aan een gastvrije en veilige RAI waarin de veiligheid verbeterd wordt en het veiligheidsbewustzijn wordt verhoogd. Het handboek Veilig Werken is van toepassing voor een ieder die zich in en rondom het RAI-complex bevindt. Het handboek is een ‘levend document’ dat periodiek verbeterd wordt. Voor eventuele vragen kan een medewerker terecht bij zijn/haar contactpersoon van RAI of een mail sturen naar safety@rai.nl. Het volledige handboek Veilig Werken kan in PDF formaat worden gedownload via www.rai.nl.

Artikel 3 - Storingen & meldpunt

Alle meldingen, storingen en verzoeken kunnen worden doorgegeven via facilitair@rai.nl.

Artikel 4 - Energieverbruik

RAI heeft Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) hoog in het vaandel staan. Het wordt van alle medewerkers en leveranciers/bedrijven verwacht dat zij bewust en verantwoord met energie, water, het milieu en de omgeving omgaan.

Artikel 5 - Betreden van de beursvloer

Tijdens een evenement georganiseerd door RAI of door een derde partij is het verboden de beursvloer te betreden. Indien er diensten verricht moeten worden op de beursvloer in opdracht van RAI of de derde partij, mag de beursvloer betreden worden onder de volgende voorwaarden:
  • de uitvoerder dient bedrijfskleding te dragen;
  • de uitvoerder moet zich te allen tijde kunnen identificeren;
  • de uitvoerder moet zichtbaar de toegangsbadge (uitgegeven door RAI) dragen;
  • de uitvoerder dient de werkzaamheden zo onopvallend en snel mogelijk uit te voeren;
  • de uitvoerder dient direct na het afhandelen van de werkzaamheden de beursvloer via de kortste route te verlaten.
Indien RAI of de derde partij aan de medewerker toestemming heeft gegeven om de beursvloer te betreden middels een uitnodiging of vrijkaart is het toegestaan om de beursvloer te betreden.

Artikel 6 - Herkenbaarheid ruimte(s)

De medewerker dient op de toegang van elke opslagruimte duidelijk te vermelden welk bedrijf de opslagruimte in beheer heeft en welke medewerkers (met vermelding van telefoonnummers) in geval van incidenten gewaarschuwd dienen te worden.

Artikel 7 - Acculaadstation

Het opladen van accu’s en accubatterijen dient plaats te vinden in een speciaal daarvoor ingericht acculaadstation.

Voorwerpen die geen deel uitmaken van de installatie van het acculaadstation mogen niet in een acculaadruimte aanwezig zijn. Dit geldt zeker voor geleidende materialen omdat deze brand- en explosiegevaar kunnen veroorzaken.
In een acculaadstation mag niet worden gerookt en geen open vuur aanwezig zijn. Dit dient met een verbodsbord duidelijk op de toegangsdeur te worden vermeld.

Reparaties aan accumulatoren mogen niet plaatsvinden in de acculaadruimte.

Bij risicoruimten dient op de toegangsdeur met een bord te worden aangeduid om wat voor ruimte het gaat. De ruimte moet zijn voorzien van automatische branddetectie, 30 minuten brandwerend zijn en er moet een draagbaar blustoestel aanwezig zijn.

Verlichtingsarmaturen en de daarbij behorende schakelaars moeten niet zijn aangebracht op plaatsen waar ontploffingsgevaar bestaat vanwege het verzamelen van het explosie gasmengsel. Dat betekent onder meer dat ze niet mogen worden geïnstalleerd boven de bovenste ventilatieopening of verticaal boven de te laten accumulatoren. Elektrische installaties (ventilatiesysteem, verlichting etc.) in gebieden met gasontploffingsgevaar moeten explosieveilig zijn uitgevoerd. Het aan- en afkoppelen van de voedingskabels mag slechts gebeuren als de voeding is uitgeschakeld.

Het is onbevoegden niet toegestaan een acculaadruimte te betreden; dit verbod moet bij de ingang duidelijk zijn aangegeven. De acculaadruimte dient zich zo ver mogelijk van een brandgevaarlijke ruimte te bevinden en mag geen deel uitmaken van een stoffige ruimte. Bij voorkeur dienen de laadinrichtingen niet in de laadruimte te zijn aangebracht. Indien deze toch in de laadruimte zijn aangebracht, behoren zij zodanig tegen de wand te zijn gemonteerd dat de bediening goed bereikbaar is en de meters goed afleesbaar zijn. De accumulatoren mogen niet direct onder de laadinrichtingen worden geplaatst. De plaats van de laadinrichting moet duidelijk zijn gemarkeerd en, indien nodig, voorzien zijn van een afzetting.

De laadruimte moet voldoende groot en verlicht zijn. Medewerkers moeten gemakkelijk om een truc, wagen of machine kunnen lopen in verband met werkzaamheden en het aansluiten van oplaadkabels.
De laadruimte moet altijd worden afgesloten, maar wel toegankelijk blijven voor interne en externe hulpver-leners (via sleutel die op te halen is bij de sleutelbeheerder tel.nr: 1460). Alléén goed geïnstrueerde medewerkers mogen de oplaadkabels aan- en afsluiten.

Elk bedrijf dient een protocol te hebben dan wel op te stellen met alle handelingen die betreffende medewerkers in die ruimte moeten verrichten. Hierin moet in ieder geval worden opgenomen: de oplaadprocedure, wat te doen ingeval van een calamiteit, onderhoud van de batterij, invullen van een laad-logboek, enzovoort.

RAI stelt extra eisen met betrekking tot het opladen van natte accu’s:
  • De vloeren moeten vloeistofdicht zijn.
  • In de directe omgeving moeten absorptie- en schoonmaakmiddelen aanwezig zijn voor het direct opruimen van gemorst zwavelzuur.
  • Omdat er met een corrosieve stof (zwavelzuur) wordt gewerkt, zullen in de laadruimte goede persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig moeten zijn (veiligheidsbril en rubber hand-schoenen).
  • Tevens moet er een nooddouche en een wasbak aanwezig zijn met een kraanoog douche om na een eventueel ongeval langdurig de ogen te kunnen spoelen.
  • Voorraad van elektrolyt (zwavelzuur) moet in een lekbak bewaard worden.

M. van Hofwegen/4 april 2016/Versie 46